Waarom de vervulling van de profetieën uit het Oude Testament nog steeds van belang is
Jezus is een fascinerende historische figuur. Dat is zo vanwege zijn eigen leven en invloed, maar ook de context van het bredere Bijbelse verhaal brengt dat in beeld. De Bijbel begint niet met Jezus. Hij verschijnt pas tegen het einde – als een langverwachte held na een periode van duisternis en leed. Om precies te zijn: Jezus treedt in de geschiedenis op als de vervulling van de hoop van een volk in de antieke wereld (het volk van Israël).
We kennen dit concept van een ‘messias’ ook buiten de Bijbel. We weten hoe het is om naar een verlosser te verlangen. We begrijpen hoe Morpheus tegenover Neo staat in The Matrix, of hoe mensen zulke hoge verwachtingen kunnen koesteren van een nieuwe politieke leider.
Wat als Jezus dit voor de mensheid is? Wat als hij Degene is waarop we allemaal hebben gewacht – de held in het lange en bewogen verhaal van de menselijke geschiedenis?
Messiasverwachting
Wellicht weet u dat de Bijbel uit twee hoofddelen bestaat. Er is een langer, ouder, Hebreeuws gedeelte – meer verhalend en concreet (wat we het Oude Testament noemen). Daarnaast is er de compactere Griekse tegenhanger – meer systematisch, vol brieven (wat we het Nieuwe Testament noemen). Het Nieuwe Testament speelt zich voornamelijk af in de eerste eeuw na Christus, maar de boeken van het Oude Testament zijn verspreid over verschillende eeuwen van de oude geschiedenis.
Deze tweeledige structuur houdt een chronologische ontvouwing in die de Bijbel onderscheidt van veel andere religieuze teksten (bijvoorbeeld de Koran). Dit biedt een uniek voordeel: het stelt ons in staat om te zien hoe het Bijbelse verhaal zich in de loop van de tijd ontwikkelt.
Christenen beweren dat er een samenhang zit in deze ontwikkeling. Meer specifiek is de overgang van het Oude Testament naar het Nieuwe Testament te vergelijken met de overgang van belofte naar vervulling. En het belangrijkste voorbeeld (hoewel niet het enige) zijn de messiaanse profetieën in het Oude Testament die Jezus voorspellen. Dit soort beweringen kent een lange traditie, die door de kerkgeschiedenis heen teruggaat tot de apostelen en tot Jezus zelf (bijv. Lukas 4:21).
Maar tegenwoordig klinkt het vaak verdacht. Hoe gedetailleerd zijn deze profetieën? Zouden de schijnbare overeenkomsten met Jezus toeval kunnen zijn? Hoe weten we dat de teksten niet zijn gewijzigd? En hoe zit het met de mogelijkheid van een opzettelijke vervulling (door Jezus of zijn volgelingen – of beide)?
In argumenten op basis van profetieën is vaak onvoldoende rekening gehouden met deze bezwaren. Daarom zijn ze tegenwoordig niet erg populair. Maar het is mogelijk om deze argumenten zorgvuldiger te formuleren.
De sleutel tot het argument ligt in het cumulatieve gewicht van de profetieën uit het Oude Testament. Het gaat om het enorme aantal ervan, en de manier waarop ze zich op organische wijze en toch blijkbaar samenhangend ontvouwen – bijna als een LEGO-set die langzaam, stukje voor stukje, wordt opgebouwd, met het einddoel duidelijk voor ogen.
Het is veelzeggend dat de messiaanse verwachting niet voortkomt uit één persoon, maar uit een enorme en zich steeds verder ontwikkelende traditie. Dit is een punt dat Blaise Pascal benadrukte: “Hier is een heel volk dat dit verkondigt, en dat al vierduizend jaar bestaat, om gezamenlijk getuigenis af te leggen van de zekerheden die zij hebben, en waarvan zij zich niet laten afbrengen door welke bedreigingen en vervolgingen mensen ook tegen hen mogen richten.”
Het grote geheel
De manier waarop de messiaanse hoop zich in het Oude Testament ontvouwt, is absoluut fascinerend. Laten we hier vijf principes schetsen om het grote geheel in beeld te brengen.
- De kern van het verhaal van het Oude Testament is dat de Schepper-God één volk (Israël) uitkiest om alle andere volken van de wereld te zegenen (zie Gen. 12:1–3). Het vreemde is dat dit in het Oude Testament niet echt gebeurt – behalve dan in zeer beperkte mate. In plaats daarvan kwijnt Israël weg, raakt het in verval en overleeft het vervolgens ternauwernood, maar de hoop blijft bestaan dat deze zegen op een dag in de toekomst zal plaatsvinden. Van Genesis 3:15 tot Maleachi 4:5–6 is de sfeer die in het Oude Testament overheerst toekomstgericht en verwachtingsvol.
- Dit toekomstgerichte karakter van het Oude Testament richt zich geleidelijk op één bepaalde persoon — aanvankelijk een koninklijke figuur, oftewel een koning (Gen. 49:10; Num. 24:17–19), en vervolgens meer specifiek op een afstammeling van koning David (2 Sam. 7:16; Jer. 23:5–6; Ezech. 37:24–25).
- Er ontstaat ook hoop op een komende profeet (Deut. 18:15–18) en een komende priester (1 Sam. 2:35), en uiteindelijk lijken deze verwachtingen (met name die betreffende de priester) samen te smelten met de hoop op een nakomeling van David (Ps. 110; Jer. 33:17–18; Dan. 9:24–27; Zach. 6:13). We zullen deze vollediger hoop een “messiaanse hoop” noemen (Messias betekent ‘de gezalfde’. Profeten, priesters en koningen waren drie gezalfde ambten in het Oude Testament).
- Naarmate de messiaanse hoop zich op haar beurt verder ontwikkelt, raakt zij verweven met het gehele spectrum van de oudtestamentische verwachtingen. Door middel van deze toekomstige Messias zal God een aantal dingen bewerkstelligen:
a. Zegen voor de volken (Ps. 72:17),
b. Hereniging en vrede van Gods volk (Jes. 9:6–7; Micha 5:4–5),
c. Verzoening voor de zonde en het einde van het offeren (Dan. 9:24–27),
d. Bevrijding van vreemde machten (Jes. 11:1–10; Jer. 30:8–9),
e. Vermenigvuldiging van het nageslacht (Jer. 33:17–22; Ezech. 37:26), en
f. Terugkeer naar het land (Ezech. 37:25; Amos 9:11–15).
In wezen kristalliseert alle hoop van Israël zich in deze ene figuur, zoals
tientallen parallelle beekjes uiteindelijk samenvloeien tot één rivier. - Het Bijbelse verhaal doet er alles aan om het voortbestaan van de Davidische geslachtslijn te benadrukken, zelfs tijdens ingrijpende omwentelingen (zoals de Babylonische ballingschap in de zesde eeuw v.Chr.). Dit verklaart het schijnbaar willekeurige genealogische einde van het boek Ruth (de overgrootmoeder van David); de afsluiting met een anticlimax van de boeken Koningen en Jeremia, waarin de nadruk ligt op het voortbestaan van Jojachin (de heerser uit het huis van David tijdens de ballingschap); en de nadruk in de post-exilische literatuur op de vestiging van Zerubbabel (de kleinzoon van Jojachin).
Kortom, je zou kunnen zeggen dat het Oude Testament bijna leest als een verhaal vol verwachting – een lang verhaal waarin de hoop levend wordt gehouden op iets dat nog niet helemaal is uitgekomen.
De triomferende Messias
Tegen de tijd van de eerste eeuw heerste er onder het Joodse volk een wijdverbreid gevoel van messiaanse verwachting – zozeer zelfs dat Romeinse historici (in ieder geval Suetonius, Tacitus en Josephus) dit idee zelfs overnamen om hun eigen keizers te beschrijven. Niettemin verschilden Joodse groeperingen aanzienlijk van mening over wat de Messias volgens hen zou doen. In sommige gemeenschappen (zoals de gemeenschap van Qumran) werd er uitgekeken naar twee Messiassen: één als priester en één als koning.
We kunnen twee stromingen binnen de messiaanse profetieën onderscheiden die hebben bijgedragen aan deze uiteenlopende verwachtingen: de zegevierende Messias versus de nederige Messias. De verwachting van een zegevierende Messias overheerst:
- Hij heerst over de hele wereld (Ps. 72:8; Jes. 9:7; Zach. 9:10).
- Hij regeert voor eeuwig (Ps. 21:4; 72:17; 89:36–37).
- Hij onderwerpt Gods vijanden (Ps. 2:9; 89:22–23; 110:1–2; 132:18).
- Hij bevrijdt en beschermt Gods volk (Ps. 72:12–14; Jes. 11:4; Jer. 23:5–6; Ezech.
34:23; Micha 5:4–5). - Hij verspreidt gerechtigheid en vrede en de reddende kennis van God onder alle
volken (Gen. 49:10; Ps. 72:16–17; Jes. 11:10; 42:1; 49:6; Zach. 9:10).
Maar dat is niet het volledige beeld. Andere teksten beschrijven een lijdende figuur (Ps. 22), nederig en rijdend op een ezel (Zach. 9:9), die sterft ten behoeve van anderen (Jes. 53). Deze passages werden vaak als messiaans beschouwd, net zo goed als de zegevierende teksten – hoewel de rabbijnen moeite hadden om ze met elkaar in verband te brengen.
In de Talmoed zien we zelfs dat sommige rabbijnen een tegenstelling maken tussen de Zoon des mensen die op de wolken rijdt (Dan. 7) en de koning die op een ezel rijdt (Zach. 9) als twee alternatieve mogelijkheden, afhankelijk van de gehoorzaamheid van het Joodse volk. Want hoe zou Degene die op de wolken rijdt dezelfde persoon kunnen zijn als Degene die op een ezel rijdt?
De lijdende Messias
Laten we even inzoomen op één tekst: Jesaja 52:13–53:12. Hier lezen we over een rechtvaardige dienaar van God die plaatsvervangend lijdt voor anderen. Sommigen beweren dat deze dienaar het volk van Israël als geheel is. Maar deze passage is een van de vier passages over de ‘Knecht van de HEERE’ in het boek Jesaja, die allemaal dezelfde figuur beschrijven – en elders wordt gezegd dat deze dienaar Israël zal redden (bijv. Jes. 49:6). Hoewel Israël dus weliswaar als Gods dienaar kan worden aangeduid, kan deze uitdrukking niet de volledige betekenis van deze tekst zijn.
Deze passage kan veeleer het best worden opgevat als een messiaanse profetie, waarin een toekomstige persoon uit Gods volk wordt beschreven (die ook namens hen kan optreden) — wellicht dezelfde persoon die in andere profetieën wordt beschreven als een lijdende Messias (bijv. Ps. 22). Hoewel de meest relevante delen hieronder staan, is het de moeite waard om de hele passage door te lezen en in gedachten alles wat deze persoon doet te noteren:
Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, bekend met ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht… Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen. Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen, en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest. Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in Zijn mond geweest is (Jes. 53:3,5,7-9).
Op het gevaar af het te simplificeren, komen er tien thema’s naar voren over deze knecht: (1) Hij is verstandig en hoog verheven (52:13); (2) hij is onherkenbaar verminkt (vers 14); (3) hij „besprenkelt” vele volken — priesterlijke taal die vaak wordt geassocieerd met vergeving of reiniging (vers 15); (4) hij wordt door mensen veracht en verworpen (53:1–3); (5) zijn lijden is plaatsvervangend voor de zonden van anderen (vv. 4–6); (6) hij zwijgt wanneer hij wordt beschuldigd (vers 7); (7) hij wordt plotseling gedood vanwege de overtreding van Gods volk (vers 8); (8) hij krijgt een rijke begrafenis (vers 9); (9) na zijn schuldoffer ontvangt hij nieuw leven en nakomelingen (vers 10); (10) hij maakt velen rechtvaardig door hun zonden te dragen (verzen 11–12).
Ik hoef waarschijnlijk niet te benadrukken hoe verdacht veel dit lijkt op de beschrijving van Jezus Christus in het Nieuwe Testament. Het gaat niet alleen om de algemene verzoeningstheologie die tot uiting komt in punt 3 of 10 – het gaat zelfs om kleine details zoals punt 6 (zie Matt. 27:12–14) of punt 8 (herinner je je Jozef van Arimathea nog?). Hoe kunnen we dit dan het beste begrijpen? Hier neemt het verhaal een interessante wending.
Onverwachte vervulling
Terwijl het Oude Testament een toekomstgerichte toon had, is de overheersende noot van het Nieuwe Testament die van vervulling. Het is zover. Jezus is de beloofde koning uit het huis van David. Dit is de kernboodschap van het Nieuwe Testament, van het begin (Matt. 1:1) tot het einde (Openb. 22:16).
Het verbazingwekkende is dat het Nieuwe Testament deze bewering niet alleen doet met betrekking tot de profetieën over het lijden, maar ook met betrekking tot de zegevierende profetieën. Jezus is niet alleen de vervulling van Jesaja 53, maar ook van Jesaja 9 en 11. Niet alleen Psalm 22 is in vervulling gegaan, maar ook Psalm 72 en 89.
Dit was de vroegchristelijke boodschap: Jezus’ dood vervulde de verwachtingen ten aanzien van het messiaanse lijden en het dragen van de zonden, terwijl zijn opstanding de verwachtingen ten aanzien van de messiaanse triomf en de koninklijke heerschappij vervulde. Het terugkerende thema in de toespraken in Handelingen is dat de Koning uit het huis van David op zijn troon zit en momenteel regeert – dankzij de opstanding en verheerlijking van Jezus (Handelingen 2:30–32; 3:19–24; 13:30–35). Alles waar Israël op hoopte, gebeurt nu.
Dit is niet het soort messiaanse schijnvertoning dat men zomaar zou verzinnen. Een spirituele messiaanse heerschappij was een moeilijke boodschap voor de Joden uit de eerste eeuw, die zwoegden onder de Romeinse onderdrukking. Zelfs de discipelen zelf verwachtten aanvankelijk een meer politieke Messias (Handelingen 1:6), en de geboorteverhalen van Jezus bevatten voorspellingen die eveneens nogal politiek klinken (bijv. Lucas 1:71). Zoals Lydia McGrew opmerkt: “Als de evangelisten geneigd waren geweest het verhaal aan te passen om een argument te creëren op basis van Jezus’ vervulling van de profetie, lijken al deze passages onwaarschijnlijke toevoegingen. Het zou veel gemakkelijker zijn geweest om ze weg te laten of te wijzigen.”
Dit is niet het soort messiaanse schijnvertoning dat men zomaar zou verzinnen.
Denk eens aan de woorden van de engel Gabriël tot Maria: “Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen” (vv. 32–33).
Als je een verhaal zou willen verzinnen waarin je leider de Messias was, waarom zou je dan profetieën als deze opnemen die door zijn kruisiging overduidelijk vals zouden blijken? Waarom zou je je dan niet gewoon beperken tot Jesaja 53? Tenzij de discipelen natuurlijk echt dachten dat Jezus uit de dood was opgestaan en dat zijn koninkrijk daadwerkelijk was gevestigd.
Er zijn nog twee andere redenen waarom een in scène gezette vervulling onwaarschijnlijk is.
Ten eerste zou het een gigantische opgave zijn om dit te organiseren, aangezien het zou afhangen van zoveel onbeheersbare en uiteenlopende factoren (bijvoorbeeld de locatie van Jezus’ geboorteplaats). Zoals Peter Kreeft stelt: “Zelfs als Jezus opzettelijk zou hebben geprobeerd de profetieën te vervullen, zou geen enkel mens de macht hebben gehad om de tijd, de plaats, de gebeurtenissen en de omstandigheden van zijn geboorte of de gebeurtenissen na zijn dood te regelen.”
Ten tweede: wat zou het motief zijn? Waarom zou iemand een geënsceneerde messiaanse komst in scène zetten die waarschijnlijk alleen maar tot minachting en kruisiging zou leiden? Dit geldt zowel voor de discipelen als voor Jezus zelf, die bij talrijke gelegenheden zijn eigen kruisiging en opstanding blijkt te hebben voorspeld (bijv. Matt. 16:21). Waarom zouden ze doorgaan, wetende wat er op het spel stond?
Tekstuele toevoegingen of toeval?
Als het idee van een gekunstelde messiaanse vervulling onwaarschijnlijk is, wat zijn dan de andere mogelijkheden? Het antwoord kan niet liggen in tekstuele vervalsingen of toevoegingen. Er zijn te veel profetieën in het spel. Bovendien wijst het bewijs er sterk op dat ze van vóór Christus dateren en over het algemeen zeer zorgvuldig zijn overgeschreven.
Een betere verklaring is puur toeval. Sommige van deze profetieën zijn cryptisch en vaag. Misschien wekken ze de indruk dat ze op Jezus betrekking hebben door een combinatie van selectief kiezen, gemotiveerde redeneringen en puur geluk. Je zult dit zorgvuldig en gedetailleerd moeten onderzoeken om tot een definitieve conclusie te komen. Wat mij betreft lijkt het me erg onwaarschijnlijk. De reikwijdte en de specificiteit van deze profetieën uit het Oude Testament zijn behoorlijk opmerkelijk.
Om nog een ander voorbeeld te noemen: kijk eens naar Daniël 9:24–27. Hier kondigt de engel Gabriël aan Daniël de verwoesting van Jeruzalem en de tempel aan, evenals de komst van een Messias (“de gezalfde”) die verzoening zal brengen voor de zonden, gerechtigheid zal vestigen en “slachtoffer en graanoffer zal doen ophouden” (vers 27).
Verder wordt er een specifiek tijdsbestek genoemd: ‘zeventig zevens’. Onder geleerden bestaat er onenigheid over de interpretatie van deze formulering, maar een aannemelijke mogelijkheid is om deze term op te vatten als 70 periodes van 7 jaar, wat neerkomt op ongeveer 490 jaar. Als je rekent vanaf het decreet van Artaxerxes (waarnaar in Ezra 7 wordt verwezen) om Jeruzalem te herstellen, dat gedateerd wordt op 458 v.Chr., kom je uit op ongeveer 33 n.Chr., precies rond de tijd dat Jezus werd gekruisigd en enkele decennia vóór de verwoesting van Jeruzalem en de Joodse tempel.
Het is moeilijk om dogmatisch te zijn over die exacte chronologie, en er zijn verschillende voorstellen gedaan. Niettemin is de profetie opvallend, zelfs los van het tijdsbestek: Daniël voorziet de komst van een Messias, dat hij zal ‘worden uitgeroeid’, het einde van de offers en de verwoesting van de tempel. In de eerste eeuw kwam er een einde aan het Joodse offersysteem, werd de tempel verwoest en werd een man die als de Messias werd beschouwd inderdaad ‘uitgeroeid’.
Zou het toeval kunnen zijn? Op zichzelf zeker. Het wordt echter moeilijker wanneer je Daniël 9 combineert met Jesaja 53 en het hele netwerk van oudtestamentische verwachtingen. Het idee dat de vroege christenen oudtestamentische teksten achteraf op Jezus projecteerden, kan de enorme reikwijdte en specificiteit, of de soms ongemakkelijke of politiek riskante kenmerken van de profetieën waarop zij een beroep deden, niet gemakkelijk verklaren. Het is echt moeilijk om zo’n langdurig, samenhangend verhaal van hoop te verklaren.
De meest aannemelijke verklaring
Er valt nog zoveel meer te ontdekken over dit onderwerp. Dit is geen uitputtende behandeling van dit argument – slechts een heel kort overzicht, bedoeld om verdere verkenning aan te moedigen.
Maar ik vermoed dat velen die zich verder in dit onderwerp verdiepen, net als ik tot de overtuiging zullen komen dat de meest aannemelijke verklaring voor het messiaanse karakter van het Bijbelse verhaal inderdaad een bovennatuurlijke is. Het lijkt er echt op dat het Joodse volk op een Verlosser wachtte, en dat Jezus die Verlosser is.
Als dit waar is, is dat opwindend. Het betekent dat er hoop is gekomen in de menselijke geschiedenis. Er is een held ten tonele verschenen – niet alleen voor de Joden uit de oudheid, maar ook voor jou en mij vandaag de dag. „Aan de uitbreiding van deze heerschappij en aan de vrede zal geen einde komen” (Jes. 9:6).
Herinner je je de slotscène van Rogue One: A Star Wars Story nog? Vlak nadat Darth Vader al die rebellen heeft afgeslacht? Een klein ruimteschip weet te ontsnappen, met de plannen van de Death Star aan boord. Als prinses Leia wordt gevraagd wat die plannen zijn, antwoordt ze: ‘Hoop’.
Denk eens na over de emoties in deze scène. Je zucht onder vreselijke onderdrukking en duisternis. Het ziet er somber uit. Maar nu ontstaat er een sprankje hoop. De opstand heeft een kans. Je kunt blijven vechten.
Als Jezus de verwachte Joodse Messias is, dan is dit wat we zouden moeten voelen. De lange geschiedenis van de mensheid is gewelddadig. Maar er wordt iets aan gedaan. Er ontvouwt zich stilletjes een plan. Er is hoop.
Noot van de redactie: Dit artikel is een bewerking van het binnenkort te verschijnen boek van Gavin Ortlund, Why Christianity Makes Sense (Zondervan, september 2026).
Oorspronkelijke bron: https://www.thegospelcoalition.org/article/overlooked-argument-christianity/
Vertaald door Kees van Kralingen
