De ‘blinde vlek’ van Tim Keller

Een weging van Reinier Sonnevelds kritiek op Tim Kellers visie op het Evangelie

Het evangelie en de contextualisatie daarvan vormen voor Tim Keller twee hoekstenen van zijn theologische visie. In de Nederlandse vertaling van nota bene zijn eigen Centrum-Kerk wordt door diverse respondenten forse kritiek geuit op juist deze twee kernthema’s. Wordt Keller in zijn eigen boek wel recht gedaan? In dit artikel een dieptepeiling met betrekking tot zijn verstaan van het Evangelie.

Van Tim Kellers Center Church – Doing Balanced, Gospel-Centered Ministry in Your City (2012), verscheen in 2014 een Nederlandse editie: Centrum-Kerk. Het evangelie midden in je stad. Op pagina 10 schrijft redacteur Stefan Paas: ‘Kritisch zijn bijna alle respondenten op Kellers vrij massieve inzet bij één specifieke versie van het goede nieuws, die vrijwel universeel en tijdloos wordt toegepast. Op dit punt mist men reflectie op de bijbelse theologie en een werkelijk besef van contextualisatie, zelfs al benadrukt bijna iedereen dat Keller wel blijk geeft van een groot praktisch vermogen tot contextualisatie.’ Een van de critici is Reinier Sonneveld, die recent in zijn Het vergeten evangelie. Het geheim van Jezus verandert alles (2018) opnieuw stelling neemt tegen Tim Kellers verwoording van het evangelie in Centrum-Kerk. In dit artikel ga ik nauwkeurig na wat Tim Keller in Centrum-Kerk over het evangelie schrijft, en vergelijk ik dit met de interpretatie van Reinier Sonneveld. Ik zal betogen dat Reinier Sonneveld en Tim Keller inderdaad van mening verschillen over wat het Evangelie is, maar ook dat de kritiek zoals Sonneveld die verwoordt geen recht doet aan Kellers beschrijving van het Evangelie.

Het of een evangelie?

Reinier Sonneveld reflecteert op de eerste drie hoofdstukken van Kellers boek, die ingaan op de vragen wat het evangelie is (hoofdstuk 1), de verhouding tussen het evangelie en de vele omschrijvingen ervan in de Bijbel (hoofdstuk 2), en de rijkdom van de vele facetten van het evangelie die transformerende betekenis hebben voor het leven (hoofdstuk 3). Hij geeft zijn reflecties de titel ‘Het evangelie of een evangelie’ mee, vanuit de gedachte dat wat Keller als het ene evangelie presenteert, bij nader inzien een specifieke versie van het evangelie blijkt te zijn. Daarbij ziet Sonneveld een scherpe tegenstelling tussen hoofdstuk 1, dat hem kwalitatief zwaar is tegengevallen vanwege de zijns inziens eenzijdig anselmiaanse visie op het evangelie (of de kruisdood van Jezus) die erin wordt gepresenteerd, en hoofdstuk 2 en volgende, die volgens hem ‘knap, helder, inspirerend en evenwichtig’ (45) zijn.

Sonneveld focust onder het kopje ‘Verzoening door voldoening’ op Kellers uitleg van Jezus’ kruisiging. Volgens hem gaat Keller uit van de voor gereformeerde Nederlandse christenen vanuit de Heidelbergse Catechismus vertrouwde ‘anselmiaanse’ verzoeningsleer: al redenerend toewerken naar Jezus die de mensheid redt van Gods toorn. Volgens Sonneveld ‘begint’ Keller in hoofdstuk 1 met een passage die als volgt luidt:

‘Het evangelie is het goede nieuws dat wij gered zijn. Gered waarvan? Van het ‘komende oordeel aan het einde van de tijd’. Dit oordeel is geen onpersoonlijke kracht – het gaat om Gods toorn. We zijn niet meer verbonden met God; onze relatie met hem is verbroken.’

Sonneveld wekt de indruk dat dit Kellers definitie van Evangelie is, helemaal aan het begin van hoofdstuk 1. In werkelijkheid echter start Keller met niet één maar drie opmerkingen over het Evangelie (later uitgebreid met nog veel meer), die we als volgt kunnen samenvatten: 1. Het evangelie is goed nieuws, geen goede raad; 2. Het evangelie is het goede nieuws dat wij gered zijn (gevolgd door het bovenvermelde citaat bij Sonneveld); 3. Het evangelie is het nieuws over hoe Jezus Christus onze relatie met God heeft hersteld (25).

Op pagina 27 geeft Keller opnieuw een korte, samenvattende omschrijving van het evangelie:

‘Het evangelie is het goede nieuws dat God ons door Christus heeft gered om de relatie met ons te herstellen en uiteindelijk alle gevolgen van de zonde in de wereld te vernietigen.’

De kern van het evangelie is hier dus ‘redding door Christus’, met twee hoofddoelen: 1. herstel van de relatie met God en 2. vernietiging van alle gevolgen van de zonde in de wereld.

Uit de vergelijking van deze twee eerste samenvattende beschrijvingen van het evangelie kunnen we ten minste twee dingen constateren: Keller onderscheidt in zijn eerste driepuntensamenvatting van het Evangelie in het tweede en derde punt zaken van elkaar die inhoudelijk lijken te overlappen of samen te vallen, terwijl het punt van het herstel van de wereld ontbreekt. Zijn eerste samenvattende beschrijving van het evangelie is dus op z’n minst onvolledig te noemen. Die onvolledigheid of zo je wilt onevenwichtigheid is echter wel te verklaren, en dat is mijn tweede constatering, vanuit het primaat dat Keller steeds weer geeft aan het element van het individuele herstel van de relatie met God.

Relatieherstel als hart

Keller wijst erop dat Paulus in Romeinen 1 Gods toorn aanwijst als het grote probleem van de mensheid: de relatie met God is verbroken door de zonde; het eerste dat weer moet gebeuren wil er goed nieuws zijn, is herstel van de relatie met God (25). Er blijkt over het Evangelie onuitputtelijk veel te zeggen, maar dit is voor Keller het primus inter pares, het kloppend hart van het Evangelie. Het goede nieuws, het evangelie, is dat Jezus dit herstel van de relatie met God in onze plaats voor ons volbracht heeft. Er worden van de mens geen daden verwacht om te kunnen delen in deze vreugdevolle boodschap, maar alleen een gelovig ontvangen. Ook de liefdevolle daden uit dankbaarheid die uit de ontvangst van deze genade voortvloeien, behoren niet tot het evangelie zelf, maar zijn daar een onlosmakelijke vrucht van – het goede nieuws bevat geen elementen die inzet van onze kant vergen: het evangelie is objectief en indicatief, niet subjectief en imperatief. Keer op keer blijkt dit essentieel te zijn voor Kellers verstaan van het Evangelie. In zijn preken en boeken is het een aambeeld waarop hij gedurig hamert: het evangelie is genade die ten diepste altijd door twee misvattingen wordt bedreigd: enerzijds wetticisme/religie, en anderzijds antinomisme/secularisme/relativisme (26-27, vgl. 40). Hij vindt hiervoor allerlei aanwijzingen in de Schrift terug die worden bevestigd door zijn ervaring. Vanwege de rol die deze twee misvattingen bij Keller spelen, bespreek ik dit aspect in een afzonderlijke paragraaf (‘Misvattingen die het evangelie bedreigen’). Eerst vraagt nog een aantal andere aspecten de aandacht.

Individu en wereld

Keller geeft aan dat je de vraag ‘wat is het evangelie?’ op twee manieren kunt beantwoorden. De eerste manier is individualistisch en gaat over het herstel van de relatie met God: ‘wat moet ik doen om gered te worden’. Wie op die vraag wil antwoorden, legt uit wie God is, wat zonde is, wie Christus is en wat Hij heeft gedaan, en wat geloof is. Dit sluit aan bij het eerste hoofddoel van de zojuist genoemde samenvatting. De tweede manier om uit te leggen wat het evangelie is, betreft een boodschap voor de wereld: Wat doet God voor heel de geschiedenis door de redding van Jezus. Wie op die vraag wil antwoorden, gaat vooral in op schepping, zondeval, verzoening en herstel. Expliciet wijst Keller erop dat je het evangelie op verschillende manieren kunt uitleggen, en hij drukt daarbij de lezer op het hart daarbij zorgvuldig te zijn. Voor goed zicht op Kellers visie op de onderlinge verhouding van de twee hoofddoelen van het evangelie, is het belangrijk hem integraal te citeren:

‘Als alleen de eerste vraag wordt beantwoord (‘Wat moet ik doen om gered te worden?’) zonder de tweede vraag (‘Is er hoop voor de wereld?’) aan de orde te stellen, loop je het risico dat je daarmee het westerse idee versterkt dat religie vooral goed is om ons te bevrijden van schuld en gebondenheid. Dan gaat het niet meer over de volmaaktheid van de schepping of over Gods zorg voor de wereld, waardoor de luisteraar het geloof als een vlucht uit de wereld kan gaan zien. Als het evangelie echter uitsluitend wordt opgevat als een verhaal over de vernieuwing van de wereld, is het gevaar van eenzijdigheid nog groter. De luisteraars horen hoe God de wereld wil redden, maar horen niets over hoe ze zelf met God verzoend kunnen worden en onderdeel gaan worden van dat plan. Zonder de eerste uitleg vind ik de tweede geen evangelie.’ (27)

Het is duidelijk dat Keller geen voorstander is van een eenzijdig, gemankeerd evangelie. Uiteindelijk is het individuele herstel van de relatie met God echter wel het kloppend hart van het evangelie, dat wat het evangelie voor mensen tot goed nieuws maakt. Tot goed nieuws dat een levens transformerende kracht heeft, en dat ook het herstel van de totale kosmos omvat. Herstel dat nu reeds begint en eenmaal voltooid wordt.

De twee manieren om het evangelie uit te leggen corresponderen bij Keller overigens met twee manieren van Bijbellezen. Ik kom hierop in een afzonderlijke paragraaf terug (‘Het veelzijdige evangelie’).

Allesomvattend herstel

Nadat Keller dit punt heeft gemaakt, doet hij zijn eigen voorstel voor een samenhangende uiteenzetting van het evangelie, waarin aan beide aspecten, het persoonlijke en het kosmische, recht wordt gedaan. De kern van het Evangelie blijft datgene wat Jezus Christus heeft gedaan om ons te redden, maar in de Bijbel staat dit verhaal in het kader van God en de schepping, zondeval, en het geloof. (27) Het Evangelie heeft drie basiselementen die cirkelen rond de persoon van Jezus: zijn identiteit als Zoon van God en messias (of: menswording, incarnatie), zijn dood voor onze zonden en opstanding tot onze rechtvaardiging (of: plaatsvervangend sterven, verzoening), en Gods heerschappij en de nieuwe schepping door Jezus (herstel, opstanding). Om dit verhaal van Jezus en zijn werk te kunnen begrijpen, is een inleiding over God en de zonde nodig, en een uitleidend deel waarin wordt uitgelegd hoe je het nieuws over Jezus kunt aannemen, namelijk door in Hem te geloven (30-31). Waar het gaat om God en de schepping, benadrukt Keller de liefde en het ‘op de ander georiënteerd zijn’ van God in de drie-eenheid. Schepping is: laten delen in liefde en dienstbaarheid. De zonde staat daar lijnrecht tegenover en wordt gekenmerkt door zelfzucht, aantasting van alle relaties, met geestelijk, psychologisch, sociaal en fysiek verval als gevolg. Zonde betekent echter niet alleen lijden maar ook schuld: Gods oordeel is het andere gevolg van de zonde. Door Christus’ incarnatie, verzoening en opstanding komt het weer goed: God schrijft zich via de incarnatie als hoofdpersoon in het verhaal van de geschiedenis.

Wat Keller in dit verband zegt over plaatsvervanging neem ik integraal over, omdat dit volgens Sonneveld voor Keller het een en al van het evangelie is, waar het in opgaat:

‘In de tweede plaats maakt Jezus alles weer goed door de plaatsvervanging. Omdat wij allen schuldig zijn en het oordeel verdienen, kan een rechtvaardige God onze zonden niet zomaar negeren. En spijt hebben is niet voldoende. Wij zouden het nooit goed vinden dat een aardse rechter een misdadiger laat gaan, alleen maar omdat hij spijt heeft betuigd. Dan kunnen we dat toch ook niet van de volmaakte hemelse rechter verwachten? Zelfs wanneer we iemand vergeven die ons iets heeft aangedaan, is daarmee de schade nog niet hersteld. Als iemand ons schade berokkent en ons geld afneemt of ons geluk of onze reputatie schaadt, kunnen we terugbetaling eisen of vergeving schenken. Dat laatste betekent dat wij zelf voor de kosten opdraaien. Jezus leidde een volmaakt leven; de enige mens die dat ooit volbracht heeft (Heb. 4:15). Aan het einde van zijn leven verdiende hij het door de Vader te worden gezegend en aanvaard; aan het einde van ons leven verdienen wij verwerping en oordeel, omdat ieder van ons in zonde leeft (Rom. 3:9-10). Maar toen de tijd vervuld was, onderging Jezus in onze plaats aan het kruis de afwijzing en het oordeel die wij verdienen (1 Pet. 3:18), zodat wij de zegen en de aanvaarding kunnen ontvangen die hij verdiende, als we in hem geloven (2 Kor. 5:21).’ (29-30)

Dit is natuurlijk geen grondige bijbels-theologische uiteenzetting van de verzoening en de betekenis van het kruis, en misschien zijn er nuanceringen of preciseringen nodig om misverstaan van Jezus’ kruisdood tegen te gaan. Tegelijk is wel duidelijk dat hoezeer ook onmisbaar en centraal, plaatsvervangende genoegdoening voor Keller een van de vele aspecten van het Evangelie is. Heel duidelijk wordt dat als Keller ingaat op de derde manier waarop Jezus alles weer goed zal maken, namelijk door alles te herstellen. Bij zijn terugkomst maakt Hij zelfs definitief een einde aan kwaad, lijden, bederf en dood. Hij redt niet alleen onze zielen, maar het ‘uiteindelijke doel is de vernieuwing en het herstel van deze wereld, en de verlossing van ziel en lichaam.’ (30) Keller citeert hier Vinoth Ramachandra, die stelt dat onze redding niet ligt ‘in een ontsnapping uit deze wereld maar in de transformatie van deze wereld’. (30) 

Allesbeheersend evangelie

Keller waarschuwt er in de laatste paragraaf van hoofdstuk 1 voor om het evangelie niet te zien als ‘niet meer dan de leer die voor een christelijke gelovige minimaal nodig is’, om vervolgens geïnspireerd te raken om met allerlei andere zaken bezig te gaan en zich te verdiepen in spiritualiteit, gemeenschap, sacramenten, discipelschap, geestelijk herstel, sociale gerechtigheid of culturele betrokkenheid. Dit is allemaal goed, als men maar beseft dat ‘het evangelie voor de eenheid zorgt in alles wat we doen’ (in het volgende citaat heb ik ‘ministry’ vertaald met ‘evangeliebediening’; in Centrum-Kerk is dit ten onrechte vertaald met ‘pastoraat’ of ‘prediking’; het gaat bij ‘ministry’ juist om alle aspecten die aan de bediening van, of dienst aan het evangelie zijn verbonden):

‘Elke vorm van evangeliebediening [ministry] ontleent zijn kracht aan het evangelie, is erop gebaseerd en is het resultaat ervan. […] Als een element van de evangeliebediening [ministry] niet wordt herkend als een resultaat van het evangelie, kan het zomaar worden gezien als het evangelie zelf. Uiteindelijk zal het de plaats innemen van het evangelie.’ (31)

Allerlei goede zaken, zoals hulpverlening, geestelijke leiding, recht doen, deelname aan de cultuur, onderwijs in de leer en evangelisatie, krijgen dan voorrang boven het evangelie, dat dan niet langer de bron of het centrum van de dynamiek is waaruit al het andere voortkomt. (31) Volgens Keller zal dit resulteren in een afname van het aantal bekeringen, ‘omdat het evangelie niet in al zijn scherpte wordt verkondigd’. Alleen het evangelie ‘legt de geheimen van het hart bloot’ en doet gelovigen en niet-gelovigen ‘de realiteit van God’ ervaren. Dit kunnen op het eerste gehoor subtiele verschillen, zelfs flauwe nuances lijken, maar er zit een diep theologisch verschil achter. Wie al die goede dingen losmaakt of isoleert van het Evangelie als het goede nieuws dat we gered worden door wat God in Jezus voor ons gedaan heeft, maakt van het evangelie vermaning of goed advies en verdraait daarmee de kern van het evangelie:

‘Het [evangelie] kan worden gepredikt vanuit ontelbare verhalen, thema’s en principes die overal in de Bijbel te vinden zijn. Maar als de prediking van het evangelie verward wordt met of losgemaakt van de andere dingen die in de kerk worden gedaan, blijft er alleen maar vermaning over (om vooral mee te doen in de kerk of in te stemmen met bijbelse ethische normen), of informatieve instructie (om de waarden en normen van de kerk in te scherpen). Als de verhouding tussen het evangelie en enig ander facet van de evangeliebediening [ministry] wordt verbroken, zullen beide eronder lijden.’ (32-33).

Opnieuw speelt hier op de achtergrond Kellers opvatting dat twee misvattingen het evangelie voortdurend bedreigen: wetticisme/moralisme/religiositeit enerzijds en relativisme/secularisme anderzijds. Ik kom hierop zoals gezegd later terug (‘Misvattingen die het evangelie bedreigen’).

In het derde hoofdstuk past Keller de boodschap van het evangelie van incarnatie, verzoening en opstanding toe in z’n implicaties voor het totale leven in antwoord op dit evangelie. De ‘volkomen omkering van de aardse manier van denken’ door de incarnatie, de gehoorzaamheid uit innerlijke blijdschap en dankbaarheid voor de verlossing door Jezus’ plaatsvervangende verzoening, en het leven in het licht van de nog niet ten volle aanwezige realiteit van Gods koninkrijk door de opstanding, maken duidelijk dat de vernieuwde levenswijze, de verandering ‘in heel ons denken, voelen en leven’ (40) gevolg is van het steeds dieper geloven in het evangelie. Van niets anders dus: het evangelie is en blijft allesbeheersend.

Het veelzijdige evangelie

Hoofdstuk 2 is geheel gewijd aan het feit dat het Evangelie dan wel kortweg ‘goed nieuws’ is, maar zeker geen simpele formule die je uit je hoofd kunt leren. Het evangelie is veelzijdig, en de Bijbel geeft tal van omschrijvingen. Dat betekent van de weeromstuit trouwens ook weer niet dat er geen consensus zou bestaan over wat de inhoud van het evangelie zou zijn (zoals in hoofdstuk 1 samengevat). Keller maakt duidelijk dat er twee belangrijke manieren zijn om de bijbel te bestuderen, en beide hebben hun eigen recht en vullen de andere manier aan:

  1. De thematische of systematisch-theologische benadering. Deze benadering benadrukt dat het evangelie bestaat uit God, zonde, Christus en geloof en ‘hoe we gered kunnen worden, namelijk door het plaatsvervangende werk van Christus en onze verantwoordelijkheid dat in geloof te aanvaarden.’
  2. De (heils-)historische benadering, die de Bijbel als doorlopend verhaal ziet en leest in de context van de geschiedenis. Deze benadering beschrijft het evangelie als schepping, zondeval, belofte en voorafschaduwing, Israël, de verlossing door Christus en herstel, waardoor het doel van de redding, namelijk een vernieuwde schepping wordt benadrukt.

Keller benadrukt weer dat beide benaderingen elkaar niet tegenspreken, integendeel: er dreigt zijns inziens gevaar als niet beide benaderingen worden gebruikt.

‘Als de thematische benadering los van de historische benadering wordt toegepast kan dat leiden tot een rationalistisch, wetticistisch en individualistisch christendom. Wanneer de historische benadering los van de thematische benadering wordt toegepast, kan een vorm van het christendom ontstaan waarin verhalen en gemeenschap een grote rol spelen, maar het scherpe onderscheid tussen genade en wet en tussen waarheid en dwaalleer vervaagt.’ (34)

Dit correspondeert met pag. 27, waar Keller wijst op de twee hoofddoelen van het evangelie – herstel van de relatie met God (individueel) en herstel van de hele schepping (corporatief) – en het gevaar dat ontstaat wanneer het ene doel benadrukt wordt ten koste van het andere doel. Getuige de basisdocumenten van The Gospel Coalition wordt de tweedeling in manieren om de Bijbel te lezen overigens breed gedeeld door evangelicalen in Amerika (vgl. Theologische visie op de evangeliebediening, II. Hoe moeten we de Bijbel lezen (de hermeneutische kwestie)).

In navolging van Don Carson wijst Keller op het bestaan van zo’n twintig intercanonieke thema’s, die ervoor kunnen zorgen dat beide benaderingen van de Bijbel geïntegreerd worden en allerlei unieke aspecten van het verhaal de Bijbel worden benadrukt zonder dat er tegenstellingen ontstaan; geen enkel thema geeft het volledige beeld. Keller werkt dit uit voor de thema’s ‘de ballingschap en onze eigen thuiskomst’, ‘het verbond en de vervulling ervan’, en ‘het komende koninkrijk’. In elk van deze thema’s komen zowel de individuele als de corporatieve redding tot hun recht, alle thema’s vullen elkaar aan en bieden zo tegelijk verschillende vertolkingen van het evangelie die elk in verschillende ook hedendaagse contexten toepasbaar zijn.

Variatie en contextualisatie

Door de rijkdom en diepte ervan is er in het evangelie een antwoord te vinden op de hoop, vrees en afgoden van elke cultuur en iedere mens, op de mensheid in zijn enorme gevarieerdheid. Daaruit concludeert Keller dat contextualisatie hard nodig is. Dat het niet alleen nodig maar ook mogelijk en goed is om te contextualiseren, maakt hij op uit het feit dat iemand als Paulus dit voortdurend doet; afhankelijk van zijn publiek belicht hij het ene of het andere aspect van het veelzijdige evangelie. Paulus past ‘de manier waarop hij de boodschap brengt … aan de capaciteiten en de overtuigingen van zijn gehoor’ aan. (36). Het in zichzelf onveranderlijke evangelie kan

‘steeds anders … worden verteld vanwege de enorme rijkdom van het bijbelse materiaal met al zijn intercanonieke thema’s, en vanwege de gevarieerdheid van de mensheid. Paulus presenteerde het evangelie telkens anders. Hij gebruikte wisselende volgordes en argumenten, afhankelijk van de cultuur die hij wilde bereiken. Dat moeten wij ook doen. Het evangelie is zo rijk dat er voor elke situatie een passende vorm is.’ (37)

Straks zal ik ook ingaan op de kritiek van Sonneveld op deze visie op contextualisatie. Die kritiek gaat terug op een verschillende interpretatie van het evangelie. Scherp gesteld zou Sonneveld niet zeggen: ‘Paulus presenteerde het evangelie telkens anders’, maar: ‘Paulus presenteerde telkens een ander evangelie’.

Misvattingen die het evangelie bedreigen

De misvattingen die zowel het evangelie als ons bedreigen en proberen om ‘het evangelie van ons te stelen’ zijn voor Keller altijd opnieuw ‘moralisme/religiositeit/wetticisme’ (waarheid zonder genade), en anderzijds ‘relativisme/secularisme/vrijzinnigheid’ (genade zonder waarheid). Genade en waarheid horen echter bij elkaar in Jezus (Joh. 1:14). Wie een van beide minder of geen recht doet, vervalt in wetticisme of in wetteloosheid en dan verdwijnen de blijdschap, kracht en bevrijding van het evangelie. In dit kader staat ook de bekende uitspraak van Keller dat de kracht van het Evangelie zich op twee manieren openbaart, namelijk dat je veel zondiger bent dan je ooit had durven geloven, maar ook veel meer aanvaard en geliefd dan je ooit had durven hopen. Het eerste bestrijdt antinomisme, en het laatste wetticisme. Die kunnen beide niet wat een juist begrip van het evangelie van Christus wel doet: zorgen voor een steeds verdergaande verandering en herstel van wat door de zonde is aangetast. (40) ‘Het evangelie zorgt ervoor dat we niet langer vervreemd zijn van God en is daarmee het antwoord op onze grootste nood. Het heeft de kracht om elk aspect van ons leven totaal te veranderen.’ (40) Deze citaten laten zien dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen Kellers visie op het evangelie, op de allesbeheersende betekenis daarvan, en een missionaire verkondiging die werkelijk de kracht heeft om personen en gemeenschappen te transformeren. Na hier een aantal voorbeelden van te hebben gegeven, besluit Keller met opnieuw te benadrukken hoezeer een juist en diep verstaan van het evangelie cruciaal is voor het leven:

‘De meeste problemen in ons leven worden veroorzaakt doordat we ons niet genoeg op het evangelie richten. Ten diepste bestaan ziekmakende toestanden in de kerk en zondige patronen in ons persoonlijke leven omdat we de diepste implicaties van het evangelie niet genoeg kennen. We begrijpen en geloven het evangelie niet ten volle. Het evangelie is in staat ons hart en ons denken te transformeren. We zullen letterlijk alles anders benaderen. Als het evangelie wordt uitgelegd en in zijn volle diepte wordt toegepast in een kerk, zal die kerk uniek zijn. Er zal een aantrekkelijk, inspirerend evenwicht heersen tussen morele overtuiging en zorg voor de wereld.’ (43)

Dat Keller het Evangelie positioneert als het centrum tussen enerzijds wetticisme (religiositeit/moralisme) en anderzijds antinomisme (of z’n verschijningsvormen secularisme/relativisme) kan op het eerste gezicht willekeurig en subjectief lijken, maar heeft een diepe theologische fundering in zijn visie op de essentie van het Evangelie als het goede nieuws dat we gered worden niet door onze inspanningen maar door wat God in Jezus Christus voor ons gedaan heeft. De directe tegenpool hiervan is dat het Evangelie geen goed nieuws zou zijn, maar (moreel) advies om ons op een bepaalde manier zelf in te spannen voor ons redding. De andere tegenpool staat hier weer lijnrecht tegenover: Gods genade is zo groot dat het er totaal niet toe doet hoe we leven en of we überhaupt nog geloven. Of we spannen ons – binnen het secularisme – in om aan de eisen van onze zelfgekozen ‘redders’ ofwel afgoden te voldoen. Het evangelie verbindt genade én waarheid in de Persoon van Jezus Christus. Hij verbindt ook individu én gemeenschap, herstelt persoon én kosmos, geeft diepe rust én activeert tot hartelijke inzet voor gerechtigheid. Het hart hiervan wordt gevormd door het herstel van de door de zonde verbroken relatie tussen God en mens, heel persoonlijk, maar dit evangelie heeft zo’n enorme kracht en reikwijdte, dat het levens, gemeenschappen en culturen transformeert.

Sonnevelds kritiek

Terug naar de kritiek van Reinier Sonneveld. Die wekt allereerst de indruk dat Keller in hoofdstuk 1 een visie op het evangelie vertolkt die vrijwel of geheel uitsluitend focust op de individuele redding van mensen van Gods toorn door het plaatsvervangend offer van Jezus aan het kruis, geïnterpreteerd op anselmiaanse wijze als ‘verzoening door voldoening’. Sonneveld legt hierbij sterk de nadruk op God als rechter die in toorn de zondaar wil straffen. Keller spreekt zoals we zagen inderdaad over de zonde als breuk in de relatie met God die twee grote gevolgen heeft: lijden én schuld. Vanwege de schuld verdienen zondaren inderdaad Gods toorn en oordeel, en in dat licht is Gods toorn inderdaad het probleem van de mensheid. Sonneveld geeft Kellers visie dan als volgt weer: ‘God is een rechter die ons wil straffen.’ De woordkeus en het accent is hier echter beslissend en onjuist. Zeker, God is een rechter die rechtvaardig oordeelt over de zonde, maar Hij is tevens degene die uit barmhartigheid Jezus Christus als redder van individu en kosmos gegeven heeft. Gods barmhartigheid en Gods rechtvaardigheid zijn geen tegenstrijdige eigenschappen, maar werken samen in de redding van zondaren door Jezus Christus als plaatsvervanger. Dat Jezus dit deed voor ons, in onze plaats, en dat deze daad (zijn kruisdood) werkelijk volledig genoeg doet aan Gods rechtvaardigheid, is essentieel voor de transformerende kracht van het evangelie. God wil ons niet straffen, Hij wil ons redden. Gods oordeel is wel een probleem, maar alleen omdat onze zonde dit probleem heeft veroorzaakt en de relatie met God heeft verbroken.

Sonneveld stelt vervolgens zeven uiterst kritische vragen bij ‘verzoening door voldoening’, maar merkt zelf meteen al op dat ‘er prima antwoorden te vinden [zijn] op deze vragen.’ Inderdaad, maar waarom dan wel deze vragen gesteld? Sonneveld vervolgt:

‘Mijn punt is dan ook niet dat Kellers model onhoudbaar is, maar wel dat het allesbehalve vanzelfsprekend is. Het is een oude en respectabele versie van het evangelie, maar wel een versie van het evangelie, terwijl Keller het presenteert als het evangelie.’

Hier vliegt Sonneveld mijns inziens uit de bocht. Uit zijn recente Het vergeten evangelie blijkt dat hij ‘verzoening door voldoening’ inmiddels van 11 kritische vragen voorziet en de essentie ervan (nl. genoegdoening) niet langer als ‘houdbaar’, ‘bijbels’ en ‘respectabel’ kan zien. Hier echter is vooral van belang dat Keller nergens het evangelie beperkt tot ‘verzoening door voldoening’. Ja, het herstel van de individuele relatie met God – door Jezus’ plaatsvervangende offer aan het kruis – is voor hem het essentiële hart van het evangelie, maar nergens beperkt hij de betekenis of inhoud van het evangelie hiertoe, integendeel. Als er één theoloog is die het evangelie in al z’n veelzijdigheid in heel zijn theologie bepalend laat zijn, dan is het Keller wel – ik heb hiervan het een en ander laten zien. De tegenstelling die Sonneveld suggereert tussen hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 en de rest is een misvatting: Alles wat Keller in hoofdstuk 2 en 3 en elders over het evangelie zegt, zijn verdere uitwerkingen, nuanceringen, precisieringen, toepassingen, implicaties enzovoort van de basisvisie op het evangelie die hij in hoofdstuk 1 presenteert als het goede nieuws van Gods redding voor mens en kosmos door Jezus Christus.

Hoezeer hoofdstuk 1 in dit opzicht voor Keller zelf een eenheid vormt met de rest van zijn denken, er zelfs fundamenteel voor is, blijkt bijvoorbeeld op pag. 239-243, waar hij uiteenzet dat het grootste probleem van veel missionaire bewegingen is dat ze wel alle het woord ‘evangelie’ gebruiken, maar er niet allemaal hetzelfde mee bedoelen. Velen wijzen de ‘klassieke leer over de zonde’ af, een leer

‘waarin zonde wordt gezien als een krenking van Gods heiligheid waarover hij terecht toornig wordt, waarin Christus verzoening tot stand brengt door als plaatsvervanger onze straf op zich te nemen, (de ‘grote ruil’ waarbij onze zonde op Jezus wordt gelegd en wij bekleed worden met zijn rechtvaardigheid) wordt te individualistisch gevonden.’ (240)

Men heeft een andere visie op zonde en ‘als gevolg van deze visie op de zonde kan het VE [‘vreemde evangelie’, wdb] het klassieke onderscheid in het evangelie tussen genade en goede werken, tussen geloof in Christus’ reddende werk en geloof in jezelf redden, niet goed uitleggen.’ (241)

Keller zet uitvoerig uiteen waar deze andere visie op zonde, in het kader van een herformulering van het evangelie als ‘Koninkrijksevangelie’ toe leidt. Er is hier – niet toevallig, vermoed ik – te wijzen op diverse parallellen met ‘het vergeten evangelie’ zoals Sonneveld dit in zijn recente gelijknamige boek uiteenzet:

‘In het KE [Koninkrijksevangelie] worden mensen niet opgeroepen om met God verzoend te worden, maar om een leven vol angst en opgaan in zichzelf in te ruilen voor een leven vol vertrouwen op God en dienstbaarheid aan anderen. Je krijgt de indruk dat God geen problemen met jou heeft, maar dat je jezelf tekortdoet door je niet bij zijn beweging aan te sluiten. Er is geen echte barrière tussen God en jou, behalve dat jij aarzelt om met hem mee te doen. […] Het bijbelse evangelie laat mensen zien hoe ze ervoor staan in het licht van Gods heiligheid, en tegelijk hoe kostbaar en verbazingwekkend het offer van Jezus was, die de straf die wij verdienden op zich nam. Wanneer dit aspect niet meer doorklinkt in het evangelie, is er geen verwondering meer over de verbluffende liefde van Jezus, die ons heeft gered.’ (242)

Keller maakt duidelijk dat zijn tekening van de zonde als ‘walgelijk, diepgaand en vernietigend’ samenhangt met ‘het scherpe onderscheid dat het evangelie maakt tussen genade en goede werken, het verschil tussen Jezus als verlosser en Jezus als middel om jezelf te verlossen.’ Hij is ervan overtuigd dat juist ‘kennis en toepassing van dit verschil de kracht leveren die levens kan veranderen.’ (242)

Deze voorbeelden zouden met talloze citaten uit boeken en preken van Keller te vermenigvuldigen zijn: Evangelie = plaatsvervanging = Jezus doet wat wij niet kunnen = genade = Jezus neemt de straf die wij verdienen op zich = Jezus herstelt onze relatie met God en de hele kosmos = incarnatie, verzoening en opstanding = de persoon en het werk van Jezus Christus. De talloze verhalen, beelden, metaforen, religieuze instituties, wetten, profetieën uit Oude en Nieuwe Testament zijn evenzovele vertolkingen van deze allesbeheersende, fundamentele en centrale boodschap. Om er één uit te lichten: het koningschap dat start in het Oude Testament, zowel van God als van de dynastie van David, de belofte van de nieuwe Koning die zowel Zoon van God als Zoon van David zal zijn en alle dingen zal herstellen en het kwaad zal vernietigen, de Koning die rijdend op een ezelsveulen Jeruzalem binnengaat om aan een kruis te sterven en zó definitief Koning te worden – ook dit ‘intercanonieke thema’ gaat helemaal over en wordt vervuld in Jezus Christus. Ook Jezus’ koningschap is een belangrijk facet van het ene, veelzijdige evangelie en belicht een van de manieren waarop Jezus plaatsvervangend werkt aan zowel het herstel van de relatie tussen God en mens als het herstel van de hele kosmos.

Sonneveld is het ook niet eens met Kellers visie op evangelie en contextualisatie. Ook dat heeft te maken met een andere visie op wat het evangelie inhoudt. In Sonnevelds visie is er geen sprake van één evangelie dat in de bijbel op zoveel manieren wordt verteld dat deze variatie voldoende is om in oude en moderne contexten toegepast en verteld te worden. Nee, ‘in de geschiedenis ontmoeten we […] geen ‘onvertaalde’ God en in de evangeliën geen ‘onvertaalde’ Jezus.’ (47, vgl. 50) Zowel in de Bijbel als in de kerkgeschiedenis vinden we tal van ‘zeer innovatieve interpretaties’ van het evangelie. Keller mag van Sonneveld op zijn beurt het evangelie naar zijn eigen context vertalen en zijn eigen schema’s hanteren, maar hij mag niet pretenderen dat zijn versie van het evangelie het [ene, bijbelse] evangelie is. Dat religie en secularisme de twee grote vijanden van het evangelie zijn, of dat iedereen buiten het evangelie ‘zichzelf probeert te redden’, ook dat zijn in Sonnevelds optiek uiteindelijk subjectieve visies, gecontextualiseerde versies van het evangelie die in een bepaalde plaats en op een bepaalde tijd voor bepaalde mensen wellicht hun dienst bewijzen, maar die niet tot het wezen van het evangelie behoren. (vgl. 48)

Ook Sonneveld ziet wel dat Keller oog heeft voor de rijkdom van de bijbel, maar noemt het diens ‘blinde vlek’ dat Keller de volle rijkdom aan bijbelse beelden voor verzoening niet laat spreken als hij in hoofdstuk 1 het evangelie bondig samenvat. Waar Sonneveld een blinde vlek of inconsistentie meent te zien, ben ik ervan overtuigd dat Keller zich heel bewust is van de keuzes die hij maakt: niet alleen is het zoals ik al uiteenzette niet waar dat Keller zijn beschrijving van het Evangelie in hoofdstuk 1 beperkt tot ‘verzoening door voldoening’, het gaat hem ook niet om de in hoofdstuk 1 gebruikte beelden van de markt en de rechtspraak op zichzelf, maar om het feit dat deze beelden zeer accuraat illustreren wat we onder het evangelie moeten verstaan, wat het evangelie in essentie is. Daarbij maakt het niet uit of we nu beelden van ballingschap, verbond, koningschap, strijd, markt, offer, rechtspraak of nog andere bijbelse beelden gebruiken: Jezus herstelt de relatie met God en herstelt de kosmos door in onze plaats in ballingschap te gaan zodat wij thuis mogen komen (34), door plaatsvervangend de vloek van het verbond op zich te nemen zodat wij de zegen ervan ontvangen (35), door als onze koning ons uit slavernij en afgodendienst te bevrijden en een nieuwe wereldorde te stichten (35-36), door satan, zonde en dood te vernietigen, door ons vrij te kopen, door zichzelf volledig aan God te wijden en door plaatsvervangend de straf op de zonde op zich te nemen. In de volle rijkdom van thema’s en beelden ziet Keller dus steeds weer het ene evangelie van pure genade vertolkt worden, beelden die in al hun verscheidenheid in allerlei contexten gebruikt kunnen worden om het ene evangelie van pure genade te verkondigen. Er is geen sprake van een tegenstelling tussen hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, maar van een tegenstelling tussen Kellers visie op het evangelie en die van Sonneveld.

Dat blijkt ook in hoofdstuk 10, waar Keller ingaat op de verschillende ‘modellen’ of ‘talen’ van de verzoening die we in de Bijbel vinden. De belangrijkste talen zijn volgens hem die van het slagveld (Christus overwint zonde, dood en kwaad), de markt, (Christus betaalt de losprijs, bevrijdt van slavernij) de ballingschap (Christus brengt verbannen mensen thuis), de tempel (Christus is het offer dat ons reinigt) en de rechtbank (Christus neemt onze straf op zich). Ik neem het volgende citaat over, omdat het zo scherp weergeeft hoe het evangelie volgens Keller tegelijkertijd oneindig veelzijdig is én in de kern altijd om één ding draait, namelijk om plaatsvervanging:

‘Elke taal benadrukt dingen over onze redding die in een andere taal veel minder duidelijk naar voren komen. … Maar het meest troostrijke en aansprekende thema in de Bijbel, het unieke en onveranderbare thema dat in elk van deze talen terug te vinden is, is het thema van de plaatsvervanging. Dr. Nicole schrijft dat de kern van verzoening, ongeacht de taal die gebruikt wordt, altijd Jezus is, die als onze plaatsvervanger optreedt. Jezus bestrijdt de machten, Jezus betaalt de prijs, Jezus verdraagt de ballingschap, hij offert zichzelf op en draagt de straf voor ons, in onze plaats. Elke taal laat zien dat Jezus doet wat wij zelf niet kunnen. Hij brengt de verzoening tot stand; wij doen niets. Daarom is het plaatsvervangend offer van Jezus het hart van alles.’ (119)

Conclusie

Ik vat samen: Ja, Keller presenteert in hoofdstuk 1 een samenvatting van het evangelie waarin de verzoening tussen God en mens, het herstel van de relatie door de zonde die resulteerde in menselijk lijden en schuld en goddelijke toorn, door het plaatsvervangend leven en werk van Jezus Christus – zo je wilt: verzoening door voldoening – centraal staat. Maar: Nee, hij isoleert dit niet van het grotere kader en bredere doel van het overwinnen van het kwaad en het herstel van de gehele kosmos, noch van de overige rijkdom aan beelden en concepten waarin dit ene evangelie zich in de bijbelse theologie en heilsgeschiedenis presenteert (hoofdstuk 2 en volgende). Er is geen sprake van een ‘blinde vlek’ bij Keller waar het gaat om deze bijbelse rijkdom of de eventuele eenzijdigheid van de interpretatie van het kruis als ‘verzoening door voldoening’, maar van een welbewuste en diep overtuigde opvatting dat dit evangelie van genade, balancerend tussen wetticisme/religiositeit/moralisme enerzijds en secularisme/relativisme anderzijds, het ene bijbelse evangelie is, dat centraal en allesbeheersend is en van wezenlijk belang is in alle mogelijke contexten en situaties waarin wij mensen ons bevinden. Het verschil tussen Sonneveld en Keller is daarom niet relatief maar essentieel. Om met Keller te spreken (Centrum-Kerk, 14): het behoort tot de ‘hardware’ en heeft daarom diepgaande gevolgen voor zowel de ‘middleware’ (theologie, incl. contextualisatie) als de ‘software’ (de praktijk van de evangeliebediening).

Noot van de redactie: 

Een uitvoerige bespreking van Reinier Sonnevelds Het vergeten Evangelie door William den Boer is geplaatst op Tijdschrift Inspirare.

Laad meer
Laden