×

‘Verwijder dan het oude zuurdeeg, opdat u een nieuw deeg zult zijn.
U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus.’

1 Korinthe 5:7

Het oude normaal en het nieuwe normaal. Daarover gaat het in Paulus’ eerste brief aan de gemeente van Korinthe, hoofdstuk 5. Natuurlijk heeft hij het niet over het oude normaal en het nieuwe normaal, waar het in het dagelijks nieuws momenteel steeds over gaat. Maar om te begrijpen waar Paulus het over heeft in dit hoofdstuk, mogen we daar wel even aan denken. Het oude normaal was dat we gewoon naar de kerk konden gaan. We moeten erg wennen aan het nieuwe normaal. Daarbij betrap ik mijzelf erop graag te willen dat het nieuwe normaal weer zo snel mogelijk veel lijkt op het oude normaal. Dat leven waar we zo vertrouwd mee waren…

Ik betrap mijzelf erop graag te willen dat het nieuwe normaal weer zo snel mogelijk veel lijkt op het oude normaal.

Overigens begrijp ik best dat het op sommige gebieden beter is dat het nieuwe normaal ook echt anders wordt dan het oude normaal. Dat we ons bewuster zijn van ons kwetsbare leven, dat het milieu wat minder te lijden heeft van ons reisgedrag enzovoort. Dat is een nieuw normaal wat maar beter altijd zo zou kunnen blijven.

Het oude normaal in Korinthe vinden we beschreven in 1 Korinthe 6:10: Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, schandknapen, mannen die met mannen slapen, dieven, hebzuchtigen, dronkaards, lasteraars en rovers. Dat dit het oude normaal was, lezen we in vers 11. Sommigen van u zijn dat wel geweest… Maar nu is de gemeente onderweg naar een nieuw normaal. En in dat nieuwe normaal is de gemeente geheiligd en schoongemaakt van de zonde door Jezus Christus. Hij heeft het offer van Zijn leven voor hen gebracht. Hij is opgestaan uit de dood in een nieuw leven. De gemeente van Korinthe is na het wonder van de opstanding – door het geloof – onderweg om helemaal te delen in het feest van het nieuwe leven. Dat is het nieuwe normaal dat door Paulus wordt verkondigd.

In deze overdenking over het oude en het nieuwe normaal zijn we ‘onderweg na Pasen’. Twee aspecten wil ik daarin vooral belichten: 1. Grote schoonmaak; en 2. De grote Schoonmaker.

Grote schoonmaak

Als je na de lunch met de hand de afwas gaat doen, begin je met een teiltje met schoon water met een beetje sop erin. Je begint met de melkbeker, waar je net uit gedronken hebt, en waar nog een klein beetje melk in zit. Je dompelt de beker onder en in één keer wordt die hele bak met schoon water vies van de melk. Een heel klein beetje melk kan een hele bak met schoon water in één keer vies maken.

Paulus heeft het niet over melk en water, maar over zuurdeeg. Zuurdeeg is een stukje van het oude deeg, wat altijd bewaard werd. Wanneer dan nieuw deeg werd gemaakt, werd zo’n klein stukje oud deeg – zuurdeeg – erbij gedaan. Wat er dan gebeurt? Eigenlijk precies hetzelfde als met melk in het water. Het trekt door die hele schaal met deeg heen. Dat is ook de bedoeling. Want dat zorgt ervoor dat het deeg een beetje zuur wordt. Heel die schaal met deeg gaat dan rijzen, zodat je er lekker luchtig brood van kunt bakken. Normaal gesproken moest dat altijd gebeuren bij het bakken van brood. Maar tijdens het feest van het Pascha mocht dit juist niet gebeuren.

Voor het Pascha moest al het oude deeg uit het hele huis worden opgeruimd. Het huis moest worden schoongemaakt. Want er mocht nergens meer oud deeg worden gevonden. Waarom niet? Denk aan de vlucht van het volk Israël uit Egypte. Op de avond van de vlucht moest er een lam geslacht worden. Het bloed van het lam moest aan de posten van de deur worden aangebracht. Want diezelfde avond zou de engel van de Heere komen. Overal in Egypte zou iemand worden gedood. In elk huis stierf de oudste jongen. Maar wanneer de engel van de Heere het bloed van het Lam aan de deurpost zag, ging Hij voorbij.

Nergens mocht meer zuurdeeg worden gevonden. Al het oude zuurdeeg moest uit de huizen worden weggedaan.

Die avond was het feest voor Israël. Want zij mochten van de HEERE vluchten uit de slavernij. Dat vluchten moest snel gebeuren. Daarom was er geen tijd om het deeg een beetje zuur te laten worden. Er moesten snel koeken gebakken worden. Geen zuurdeeg erbij. Ieder jaar dacht Israël aan het wonderlijke feest van dit vluchten uit de slavernij terug. Dat God hen had gered. Door het bloed van het lam aan de posten van de deur. Tijdens dat feest – het Pascha – bakten ze dan ook koeken zonder zuurdeeg. Van die platte broodkoeken. En voordat het feest werd, hielden ze grote schoonmaak in het huis. Overal. Nergens mocht meer zuurdeeg worden gevonden. Al het oude zuurdeeg moest uit de huizen worden weggedaan.

Later in Israël ging dit feest van het Pascha ook samen met het feest van de eerste nieuwe oogst. De graanoogst. Dan werden dus die broodkoeken op het Pascha gebakken van het eerste deeg van het nieuwe graan. Broodkoeken van nieuwe vruchten. Dat nieuwe deeg mocht niet gemengd worden met het deeg van het graan van vorig jaar. Het deeg van het nieuwe graan mocht niet aan het gisten gebracht worden door een beetje deeg van het oude graan. Het nieuwe normaal moest niet vermengd worden met het zuur, het verkeerde, de gist van het oude normaal.

Het nieuwe normaal moest niet vermengd worden met het zuur, het verkeerde, de gist van het oude normaal.

Dat is het beeld wat de apostel Paulus in dit toch wel scherpe hoofdstuk 1 Korinthe 5 gebruikt. Verwijder dan het oude zuurdeeg opdat u een nieuw deeg zult zijn. Wat was nu precies de aanleiding voor Paulus om zo te gaan spreken? Daarover wil ik graag drie dingen zeggen.

Allereerst dit: De gemeente van Korinthe, met wie Paulus in deze brief in gesprek is, was een gemeente met een groot zelfbewustzijn. Een groot geestelijk zelfbewustzijn. Met andere woorden: de heersende gedachte in de gemeente was dat men het geestelijk best goed voor elkaar had. God deed grote dingen door Zijn heilige Geest in Korinthe. Zulke grote dingen dat men eigenlijk het evangelie van het kruis van de Heere Jezus wat ondergeschikt maakte aan de eigen geestelijkheid. Dat is een belangrijk discussiepunt tussen Paulus in zijn brieven en de Korinthiërs. In dit hoofdstuk kunnen we daar iets van lezen in het begin van vers 2: En u doet zich zo gewichtig voor. En in het begin van vers 6: Uw roem is niet goed. Daar horen we in dat de gemeente van Korinthe een gewichtige, trotse geestelijke gemeente is. Geestelijk hoogmoedig.

De gemeente van Korinthe had een groot geestelijk zelfbewustzijn. De heersende gedachte in de gemeente was dat men het geestelijk best goed voor elkaar had.

Het tweede wat we over deze gemeente moeten opmerken, is dat deze gemeente echt midden in een zondige en goddeloze wereld leefde. Een wereldstad, met alle kenmerken die daarbij horen. Met grote verleidingen voor de zonden, zoals die aan het begin van de preek zijn opgenoemd. Het oude normaal in Korinthe. Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers, dronkaards, hebzuchtigen. Dat rijtje. Dat is de wereld waarin Korinthe gemeente is. Alle verleidingen van een havenstad, een wereld waarin je geld verdienen kunt en alles kunt krijgen wat je hart begeert, wanneer je daar enige moeite voor doet. ‘Op z’n Korinthisch leven.’ Met die uitdrukking bedoelde men in het oude Griekenland een soort bourgondisch leven, inclusief allerlei seksuele uitspattingen.

En dan komen we bij het derde wat wij moeten zeggen over de gemeente van Korinthe. Dat is dan meteen ook het punt van de apostel Paulus in hoofdstuk 5. In de gemeente van Korinthe waren sommigen, die zeiden ‘door de Geest’ te leven, terwijl ze ondertussen ook nog steeds in het oude normaal leefden, op zijn Korinthisch dus. En hier in hoofdstuk 5 noemt Paulus dan een extreem voorbeeld. Alle Korinthiërs wisten over wie hij het had. Vers 1: Men hoort algemeen dat er hoererij onder u voorkomt, en wel zo’n vorm van hoererij waarvan zelfs onder de heidenen geen sprake is, namelijk dat iemand de vrouw van zijn vader heeft. Wat dan precies die verhouding is geweest, die exacte informatie hebben wij niet. Die vaders hadden soms ook meerdere vrouwen. Dus het hoeft niet zijn echte moeder geweest te zijn. Hoe dan ook, wat Paulus bedoelt, is duidelijk. Er zijn sommigen die het oude leven nog aanhouden, terwijl ze zeggen de Geest van Christus te hebben. Met dan dat ene heel bijzondere voorbeeld.

‘Op z’n Korinthisch leven.’ Met die uitdrukking bedoelde men in het oude Griekenland een soort bourgondisch leven, inclusief allerlei seksuele uitspattingen.

In dat verband zegt Paulus: Verwijder het oude zuurdeeg opdat u een nieuw deeg zult zijn. En dan wordt hij ook heel concreet. De persoon waarover het gaat moet vanwege zijn zondige leven uit het midden van de gemeente worden weggedaan. Paulus is zelf op dat moment in Efeze. Maar door de heilige Geest weet hij zich verbonden met de gemeente van Korinthe. En hij zegt: die persoon moet u aan de satan overgeven.

Nu vinden wij dat misschien wel heel hard. Kan Paulus daar in Efeze nu zomaar oordelen over die man? En moet het dan ook echt zo hard dat hij meteen buiten de gemeente wordt gezet en dat de gemeente ook niet meer met hem mag omgaan? Ga er maar vanuit dat Paulus informatie heeft gehad, die wij niet hebben. En let erop dat het Paulus om het heil van de gemeente gaat. Het zuurdeeg trekt immers overal doorheen. Maar het gaat Paulus ook om het heil van de zondaar. Want er staat in vers 5 ook nog iets waar we op zichzelf al heel lang over zouden kunnen praten. Het doel van het buitensluiten is namelijk dat de geest van die zondaar behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus. Dus de tucht heeft als doel dat de gemeente zuiver moet blijven. Maar ook dat die ene persoon uiteindelijk gered zal worden. Het gaat Paulus uiteindelijk om de zaligheid van zondaren tot eer van Jezus Christus.

Het gaat Paulus uiteindelijk om de zaligheid van zondaren tot eer van Jezus Christus.

Nu hebben we de contouren van dit hoofdstuk wel een beetje voor ons. De gemeente van Korinthe moet in de praktijk van het leven van elke dag schoongemaakt worden. De gemeente is trots op haar geestelijkheid. Maar dan zal het toch ook zo moeten zijn dat, door de Heere Jezus en door de heilige Geest, die gemeente in haar dagelijks leven gereinigd wordt. ‘Verwijder dan het oude zuurdeeg opdat u een nieuw deeg zult zijn.’ En dat nieuwe deeg bestaat niet uit prachtig klinkende preken, ook niet uit geestelijke en vrome taal. Dat nieuwe deeg, het nieuwe normaal door de kracht van Jezus Christus, bestaat uit een rein leven voor het aangezicht van de Heere God.

Het nieuwe normaal door de kracht van Jezus Christus bestaat uit een rein leven voor het aangezicht van de Heere God.

De gemeente is onderweg na Pasen. De kern van het geloof van de gemeente is dat zij uit de slavernij gered is. God heeft door de Heere Jezus de gemeente uit de slavernij van de zonde gebracht. Dan kan het toch niet zo zijn dat het oude Korinthische leven maar blijft voortwoekeren. En ondertussen hoogmoedig zeggen dat jullie zo geestelijk zijn. Uw roem is niet goed. Want uw dagelijks leven is nog steeds een leven in de slavernij van de zonde. En dat mag ook niet oogluikend worden toegestaan. Ach, ja dat is mijn oude mens… Nee, net zo radicaal als de keuken moest worden schoongemaakt voor het Pascha, zo moet ook het leven van de Korinthiërs worden schoongemaakt.

En dat is dan dus vandaag ook de boodschap voor ons. Heel persoonlijk. Maar ook voor ons als gemeente samen. Strijden we echt met elkaar tegen de zonde? Door voortdurend de zonde uit ons leven en uit ons midden weg te doen? Of komt ditzelfde ook onder ons voor: Hoogmoedig geestelijke gesprekken, maar ondertussen leven wij ons leven in het oude normaal…

Het is intussen geen geheim meer dat de meest erge seksuele zonden als overspel, incest, misbruik, ook gewoon in de kerken voorkomen. Dat was niet alleen in Korinthe zo. Soms zijn in het verleden zulke zonden ook nog met geestelijke woorden toegedekt. Terecht spreekt de wereld daar schande van. Maar er is meer te zeggen. Wanneer het gaat over huwelijk en seksualiteit is er in elke eeuw wel wat aan de hand. Ook bij ons. Normen lijken te vervagen. En soms doet de kerk daaraan mee. Of de kerk gaat er heel geleidelijk in mee. We volgen de wereld op afstand. Waarom? Vaak is het argument, wanneer het gaat over bijvoorbeeld ongehuwd samenwonen, over samen op vakantie gaan wanneer je nog niet getrouwd bent, of ook seksuele gemeenschap tussen mensen van hetzelfde geslacht: dat kan je vandaag toch zo niet meer zeggen. Maar dat is in de kerk een gevaarlijk argument. Denk aan het zuurdeeg. De kerk moet als argument hebben: U bent van Christus. En wanneer u of jij werkelijk van Christus bent, moet het oude normaal uit uw leven weg worden gedaan. En de normen voor het nieuwe normaal vinden we alleen in het Woord van God. En niet in wat wij langzamerhand heel normaal zijn gaan vinden.

De kerk moet als argument hebben: U bent van Christus. En wanneer u of jij werkelijk van Christus bent, moet het oude normaal uit uw leven weg worden gedaan.

Denk echter niet dat deze tekst van Paulus over het wegdoen van het zuurdeeg alleen over seksuele zonden gaat. Dit gaat over heel ons leven. We hebben het rijtje aan het begin van de preek genoemd. Daar gaat het bijvoorbeeld ook over lasteren, roddelen. Over hebzucht en gierigheid. Bedenk goed dat die zonden niet minder erg zijn. Paulus bedoelt te zeggen: wie onderweg is na Pasen, wil toch ook graag grote schoonmaak in zijn leven houden. Dan wil je toch ook graag dat de Heere Jezus het echt voor het zeggen heeft in heel je leven. En – wanneer je niet heel eerlijk wilt dat de Heere Jezus met je meekijkt in jouw leven – zijn je ogen dan wel echt opengegaan voor wat Christus moet en wil doen in je leven? Voor wat het werk van de Heilige Geest is? Hij wil dat u leeft als nieuwe vruchten van Christus. Al het oude moet weg. Het wegdoen van het zuurdeeg houdt in dat je leert strijden tegen concrete zonden in het leven van elke dag.

Wanneer je de Heere Jezus kent, dan herken je dit toch? Want een klein beetje zonde kan zoveel invloed hebben. Eén keer toegeven aan geroddel, aan hebzucht, aan verkeerde verlangens, kan zoveel van dat oude bestaan naar boven roepen. Paulus heeft echt gelijk. We moeten ook niet een klein beetje van dat oude zuurdeeg toelaten. We moeten radicaal durven zijn in het benoemen van de zonde. Voor onszelf heel persoonlijk, maar ook in het onderlinge gesprek in de gemeente. Leven in de gemeente van Christus betekent dat we voortdurend de ogen van God, van Christus, van de heilige Geest op ons gericht weten. Ogen van God, die we leren kennen uit Zijn Woord. En wie die ogen eenmaal heeft gezien, weet dat er telkens weer grote schoonmaak in ons leven nodig is. Weg dat oude zuurdeeg!

We moeten radicaal durven zijn in het benoemen van de zonde. Voor onszelf heel persoonlijk, maar ook in het onderlinge gesprek in de gemeente.

De grote Schoonmaker

Nu heeft zo’n streng hoofdstuk over onze zonden altijd één groot gevaar. En een strenge preek over onze zonden die ook onder ons op allerlei manieren blijven voorkomen, heeft ook een groot gevaar. Namelijk dat u en ik moedeloos worden. Of dat we zelf keihard aan het werk gaan en heiliger proberen te leven. En er dan na verloop van tijd achter moeten komen dat het ons toch niet lukt. En dan worden we wat onverschillig of moedeloos.

Een strenge preek over onze zonden heeft ook een groot gevaar. Namelijk dat u en ik moedeloos worden. Of dat we zelf keihard aan het werk gaan en heiliger proberen te leven.

Daarom is het belangrijk om er op te letten wat de kern van de zonde is in 1 Korinthe 5. Het meest erge van alles is in dit hoofdstuk de hoogmoed. Aan de ene kant heel geestelijk zijn. En aan de andere kant met gemak allerlei zonden toelaten in de gemeente. Dat is hoogmoed en een gebrek aan zelfkennis voor het aangezicht van de levende God. Met het risico dat deze gemeente even niet meer beseft in zichzelf verloren te zijn. En juist daarom is Paulus zo scherp. Voor het aangezicht van God in Jezus Christus moeten wij allereerst zien dat we, in onszelf, verloren zijn zoals het verloren schaap.

Ook de Heere Jezus spreekt – in Mattheus 18 – over de strenge tucht, zoals Paulus die hier in 1 Korinthe 5 toepast. De gemeente zal uiteindelijk zondaren erbuiten moeten zetten. Maar voordat de Heere Jezus daarover spreekt in Mattheus 18, spreekt Hij eerst over het verloren schaap. Dat schaap wordt door God gezocht en gevonden. De Heere God verblijdt zich erover wanneer zo’n verlorene gevonden wordt. Na dat verteld te hebben, gaat de Heere Jezus pas over de tucht spreken. Ook met Zijn strenge woorden is de Heere Jezus erop gericht om verlorenen te vinden.

En daarom is het ook heel ernstig wanneer mensen geestelijk hoogmoedig zijn en tegelijkertijd in zonden blijven leven. Het inzicht zelf een verloren schaap te zijn is voor het geloof heel belangrijk. Vooral op dat punt ging het mis in Korinthe. Men had als trotse schapen de Heere Jezus niet nodig, want ze waren zo geestelijk. Daarom is het doel van strenge woorden en van het aanwijzen van zonden ook altijd dat wij verloren schapen voor de Heere Jezus zullen worden. Zo wil ik er zelf ook graag over preken en spreken. We zouden toch ook niet anders kunnen. Ook niet in het gesprek over zonden en tucht vandaag. Zulke gesprekken voer ik met knikkende knieën, want ik ben ook zo’n verloren schaap. En ik heb geen enkele reden om mijzelf boven welke andere zondaar ook te verheffen. Alleen in die geestelijke context valt er goed over de tucht te spreken. Met als doel dat je samen verloren schapen wordt voor het aangezicht van God in Christus.

Gesprekken over zonde en tucht voer ik met knikkende knieën, want ik ben ook zo’n verloren schaap.

Laten wij nu nog eens rustig naar 1 Korinthe 5:7 kijken. Want daar staat in het tweede deel van de tekst nog iets heel bijzonders: U bent immers ongezuurd, want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus. Hoe hebben we het nu met Paulus? Eerst zegt hij dat de gemeente het oude zuurdeeg weg moet doen. Vervolgens zegt hij: U bent immers ongezuurd. Dat is zoiets als tegen iemand zeggen: Ga jij even afwassen, want ik heb zojuist de vaat al gedaan. Toch weet Paulus heel goed wat hij zegt.

Paulus zet de gemeente niet aan het werk om zelf keihard tegen de zonden te gaan vechten. Zonde laat zich niet door onze wilskracht en geestelijkheid overwinnen. Nee, hij zet de gemeente aan het werk om weer als verloren schapen aan de voeten van het Paaslam terecht te komen. Om daar te ontdekken wat Jezus Christus gedaan heeft. Jezus Christus heeft voor de slavernij van alle zonden volkomen betaald. Daarom kan Paulus tegen die gemeente zeggen: jullie zijn immers al ongezuurd. En dan dat prachtige beeld van het Paaslam. Zoals dat lam betaalde voor de schuld van Israël. En de engel van God ging met zijn oordeel voorbij. Wat een wonder! In al die Egyptische huizen moesten jongens sterven onder het oordeel van God. Maar in Israël niet, want het bloed van het lam was aan de deurposten. Zo zegt Paulus tegen die Korinthiërs: het bloed van het Lam heeft voor jullie gevloeid. Daarom mag je leven uit de kracht van wat Hij heeft gedaan. En dan kan de ruimte van het heil voor de apostel Paulus ook niet op. Twee keer het woordje ‘ons’. Want ook ons Paaslam is voor ons geslacht.

Paulus zet de gemeente niet aan het werk om zelf keihard tegen de zonden te gaan vechten. Zonde laat zich niet door onze wilskracht en geestelijkheid overwinnen.

Zullen we dat vooral ook onthouden? Strijden tegen de zonde gaat niet lukken wanneer je het zelf gaat doen. Wanneer je misschien zojuist jezelf hebt voorgenomen om nooit meer te roddelen of nooit meer hebzuchtig te zijn of welke andere zonde ook. Begin dan waar de apostel begint. Het Paaslam heeft betaald. U bent ongezuurd. Hij heeft het gedaan. Hij heeft ook in de strijd tegen de zonden al voor u gewonnen. En dan is het waar: overal vinden we telkens weer die stukjes oude zuurdeeg in ons leven. Maar ga dan niet zelf schoonmaken. Vergeet nooit dat Hij de grote Schoonmaker is. De heilige Geest wil in jouw leven aan het werk vanuit wat Jezus Christus heeft gedaan.

Dan moet ik allereerst en steeds opnieuw mijn hoogmoed kwijtraken. En een verloren schaap worden, wat in Christus gevonden is. Wat een wonder: ons Paaslam is geslacht. En dan zo onderweg gaan na Pasen. Wie zo op weg is, na Pasen, laat graag de Heere Jezus in zijn of haar leven meekijken. Toch? Dan worden we niet boos wanneer we op zonden gewezen worden. Nee, dan laten we graag de Heere Jezus meekijken. Met strenge woorden soms. Het oude zuurdeeg wordt aangewezen. Maar wanneer Jezus dat doet, dan brengt Hij tegelijk mee wat ik nodig heb. En dan mag ik achter Hem aan onderweg gaan om eeuwig feest te vieren. Achter het Paaslam aan onder de slavernij van de zonden vandaan. Want Hij heeft het gedaan. En telkens weer word ik daarop teruggeworpen. Juist daarom leer ik het – en wil ik ook niet anders – om te vechten tegen de zonden in mijn leven.

Vergeet nooit dat Hij de grote Schoonmaker is.

Zijn wij zo onderweg na Pasen? Daar komt het op aan. Verloren schapen zijn, die leven van het Paaslam. Die zich graag laten gezeggen door Hem. Dat is wat nodig is. En wie dat kent, mag feestvieren in zijn of haar leven. Dan mogen ook verloren schapen die nog zo veel oud zuurdeeg bij zichzelf vinden, toch feestvieren. Laten we dan feestvieren. Want het is Pasen geweest. We zijn gered uit de slavernij. Dat is het nieuwe normaal.

Ons probleem is vaak dat we nog zo hangen aan het oude normaal. Dat we de zonden nog zo prettig vinden. We willen graag dat het nieuwe normaal zoveel mogelijk op het oude leven lijkt. Het leven wat we best prettig vonden. Maar het nieuwe normaal moet helemaal bepaald worden door Christus, het Paaslam. Pas dan kunnen we werkelijk feestvieren. Dan is het leven na Pasen in het nieuwe normaal altijd feest. Wat er ook gebeurt. Want ook ons Paaslam is voor ons geslacht.

Laten we feestvieren. Want het is Pasen geweest. We zijn gered uit de slavernij. Dat is het nieuwe normaal. (…) Dat helemaal bepaald moet worden door Christus, het Paaslam.

Meest gelezen

Nieuwsbrieven

Blijf op de hoogte

Laad meer
Laden